Kanttekeningen bij het artikel ‘Ritueel misbruik; babylijkjes en andere gruwelijkheden’ van Colet van der Ven, De Groene Amsterdammer 1 juli 2021

De grote vraag na het lezen van het concept van het artikel is: wat heeft de auteur bewogen dit artikel in deze vorm te schrijven.

Wat is de reden geweest dat zij over ‘ritueel misbruik’ wil schrijven? Langzaam is de laatste jaren het besef gegroeid dat ‘ritueel misbruik’ iets is dat in een veel bredere context dient te worden beschouwd: georganiseerd seksueel misbruik bestaat, daarover kan geen twijfel meer bestaan na bijvoorbeeld het oprollen van grote kinderpornonetwerken. Dat daarbij gruwelijke sadistische zaken een grote rol spelen, ook daarover bestaan nog weinig twijfels. En dat binnen dit geheel in sommige netwerken ook rituele aspecten een min of meer grote rol spelen, vervat in een min of meer pseudoreligieuze ideologie, wordt ook geleidelijk duidelijker. Daarover bestaat geen twijfel meer. Waarom dan terug naar oude wijn (in niet eens zo nieuwe zakken), in plaats van de lezer inzicht te verschaffen in voortgaande kennis?

Merkwaardig is dat in het cursief aan het begin – de ‘definitie’ van ritueel misbruik – dat woord helemaal niet is gebruikt. Sadistisch is niet hetzelfde als ritueel.

Heeft de auteur een verborgen agenda? Deze vraag is niet een dwaze; hieronder een – niet geheel complete – uitleg ter onderbouwing.

Het artikel is op veel fronten tendentieus

Bijvoorbeeld:

  • de eerste alinea over Oude Pekela en Yolanda zet een trend: het is allemaal fantasie en massa-hysterie
  • de zin dat Argos ‘die strijd’ opnieuw leven inblaast, en zich bekent tot de gelovigen. De auteur heeft het onderzoek van Argos niet goed gelezen en dus niet gezien hoe zorgvuldig Argos juist strijd vermeden heeft. Ook valt hier al op dat ‘gelovigen’ worden geïntroduceerd, waarmee de bestaande polarisatie wordt verergerd en tegelijk wordt genormaliseerd
  • het grote verschil in aandacht voor het verhaal van Sonja vergeleken met dat van Brenda
  • idem als je de aandacht voor Huntjens, Otgaar en de LEBZ vergelijkt met die voor Christel Kraaij en zeker Simone Reinders
  • als het over retractors gaat met bewijzen van ‘niet zwanger geweest zijn’, dan is dat één geval, met de teneur dat dit dus altijd zo zal zijn. Daarnaast is er toch ook het verhaal over Lisa van Argos? Heeft de auteur dat nooit gehoord, en waarom meldt ze dat niet ook? Waarom is zij zo weinig kritisch en eenzijdig?
  • waarom worden er alleen maar voorbeelden van zwangerschappen en kindermoorden aangehaald, en niet ook alle andere narigheden die door overlevers worden benoemd? Die komen toch veel vaker voor, maar spreken minder tot de verbeelding van mensen die niet willen of kunnen aannemen dat het allemaal bestaat
  • tendentieus én onzorgvuldig is wat geschreven wordt over het rapport van de Gezondheidsraad uit 2004: nadrukkelijk wordt één bepaalde conclusie als de belangrijkste genoemd. Nergens is te vinden dat dit voor de Gezondheidsraad zelf ook de belangrijkste was. Conclusie van de auteur, maar waarop gebaseerd? Past dit in de teneur die het artikel moet uitstralen? Wat de Raad overigens ook schrijft, is dit: ‘Uit hetgeen vertegenwoordigers van de politie hebben gemeld en uit de gebruikte literatuur blijkt dat ritueel misbruik tot nu toe nooit kon worden vastgesteld’, en: ‘Dat geen aantoonbare [bedoeld wordt dat er geen forensisch bewijs is gevonden] gevallen zijn aangetroffen betekent niet dat onomstotelijk is vastgesteld dat ritueel misbruik niet voorkomt. In ieder geval acht de Werkgroep het zeer goed mogelijk dat zich zeer ernstige gevallen van seksuele kindermishandeling voordoen, waarbij zij de vraag of dit tot ritueel misbruik gerekend moet worden van minder belang acht.’
  • de stelligheid waarmee beweringen van de LEBZ tot een grotere waarheid worden verklaard, zonder dat deze organisatie ooit inzicht heeft gegeven in hun wijze van werken, waarop zij menen te kunnen stellen dat nooit een spoor van bewijs van ritueel misbruik is gevonden. De LEBZ en de wetenschappers die dezelfde theorie aanhangen (het fantasiemodel) zijn ‘waarheidszoekers’. Daarnaast worden de voorzitter van het KTGG en de onderzoeksjournalisten van Argos weggezet als ‘gelovigen’. Waarop baseert de auteur deze verschillen en welk doel dienen zij? Zou er sprake kunnen zijn van cognitieve dissonantie, bij zowel auteur als de LEBZ?

Er staan fouten in het artikel

  • Minister Grapperhaus gaf opdracht om onderzoek te doen naar georganiseerd sadistisch – en dus niet ritueel – misbruik. In zijn opdracht zijn de termen aard en omvang niet aanwezig. Nadrukkelijk hebben zowel de Kamerleden die de motie indienden als de minister dit woord – ritueel – vermeden. Waarom de herintroductie?
  • Ook de zinsnede waarom het WODC de opdracht retourneerde, klopt niet met wat de WODC schreef: “… niet op een methodologisch verantwoorde manier kan gebeuren en dat de uitkomsten daarom van onvoldoende wetenschappelijke kwaliteit zullen zijn.”  Waar heeft de auteur haar zinnetje dat ‘de verhalen van therapeuten en slachtoffers niet te verifiëren zijn’ gevonden?
  • Dat overlevenden van jappenkampen en concentratiekampen geen gefragmenteerde herinneringen en geheugenverlies hebben is niet juist, zie de onderzoeken van o.a. Goldfeld 1988, Kinzie 1993, Niederland 1968. Het verlies van herinnering voor traumatische ervaringen is, sinds meer dan 100 jaar, goed gedocumenteerd in onderzoek door o.a. Kardiner, Janet, Charcot, van der Kolk, in de ervaringen van soldaten in de wereldoorlogen, Vietnam veteranen, psychiatrische patiënten, e.a.
  • Neurologisch onderzoek heeft bewezen dat DIS en trauma in de hersenen te onderscheiden is van geïmplementeerde fantasie-herinneringen, S. Reinders e.a. De verwijzing naar het onderzoek betreffende de geïmplanteerde herinnering over zoekraken in een warenhuis heeft geen relevantie voor trauma en PTSD herinneringen, die op een heel andere wijze in de hersenen worden opgeslagen.

Zijn dergelijke fouten te wijten aan onzorgvuldigheid, of hebben ze een bedoeling?

De auteur is volstrekt niet kritisch, zoals uit wat hierboven staat reeds duidelijk wordt.

  • Een ander voorbeeld is dat ze wel schrijft dat de LEBZ bestaat uit deskundigen uit verschillende vakgebieden, maar niet vermeldt dat deze allemaal één theoretische visie hebben, die van het niet bestaan van ‘hervonden herinneringen en het fantasiemodel als oorzaak van het ontstaan van de dissociatieve identiteitsstoornis (DIS).
  • Ook dat ze accepteert dat de LEBZ zegt alles te onderzoeken (kerk, incest, ritueel misbruik), en daarmee doet alsof het laatste even vaak is onderzocht als bijvoorbeeld ‘gewone’ incest. Overigens heeft de LEBZ sinds haar laatste jaarverslag – 2008! – geen controleerbare gegevens gepubliceerd over hun werk.
  • Misschien gaat het te ver om het de auteur kwalijk te nemen dat ze niet op de hoogte is van alle wetenschappelijke kritiek op Otgaar en Huntjens, maar ze draagt wel bij aan de grote eenzijdigheid van het artikel door wat en hoe uitvoerig zij hen citeert in vergelijking met de enige andere geïnterviewde wetenschapper (Reinders) die veel en internationaal regelmatig geciteerd onderzoek doet,
  • Eenzijdigheid blijkt ook uit het niet vermelden van buitenlands onderzoek, zowel wetenschappelijk als juridisch, waaruit andere resultaten naar voren komen dan wat Nederlandse auteurs – overigens allemaal uit dezelfde theoretische hoek – blijven aangeven. Waarom hiervan geen melding gemaakt?

Naar aanleiding van de reacties van de auteur op bovenstaande kanttekeningen:

  • de auteur stelt dat de term ritueel misbruik wel degelijk aanwezig is in de opdracht die de minister gaf voor onderzoek en de daaraan ten grondslag liggende Kamermotie: in de motie van de Kamerleden Van den Berge, Van Nispen en Kuiken staat een aantal keren de term ritueel misbruik in de inleidende alinea’s. In de opdracht van de minister aan de commissie komt het ook voor, echter de centrale vraag van de Kamerleden aan de minister is onderzoek naar ‘de aard en omvang van georganiseerd sadistisch misbruik…’, en het woord ritueel staat vervolgens in het zinsdeel ‘…daarbij ervaringen van overlevenden van ritueel misbruik …’. Nergens gebruiken minister en Kamerleden de term ‘georganiseerd ritueel misbruik’. Het woord ritueel komt wel voor, maar slechts als een factor die verwijst naar ervaringen van (sommige) slachtoffers; dat deze het woord gebruiken is voorstelbaar, gezien hun ervaringen. In de motie komt ‘ritueel’ voor in een verwijzing naar de commissie Hulsenbek, die inderdaad onderzoek deed naar ritueel misbruik, verwijzend naar wat slachtoffers aangeven en verwijzend naar een situatie in Duitsland; echter in de motie gaat het om georganiseerd sadistisch misbruik. In de opdracht van de minister aan de onderzoekscommissie (Kamerbrief dd 25 maart 2021) komt het woord ritueel niet voor, en wordt slechts gesproken over ‘georganiseerd sadistisch misbruik’
  • wat betreft de opmerking dat het WODC twijfels had over de opdracht  en dat de opmerking van het KTGG afkomstig zou zijn van de Argos website: de directeur van het WODC schreef het KTGG op 24 februari 2021: ‘…Het WODC heeft de mogelijkheden voor het uitvoeren van een dergelijk onderzoek onderzocht en is tot de conclusie gekomen dat het onderzoek niet op een methodologisch verantwoorde manier kan gebeuren en dat de uitkomsten daarom van onvoldoende wetenschappelijke kwaliteit zullen zijn.’ Dit is dus niet afkomstig van de Argos-site; Argos heeft dit via het KTGG gehoord. Ons is bekend dat deze reden met name te maken had met de vraag onderzoek te doen naar ‘aard en omvang’, waarbij met name ‘omvang’ als een groot probleem werd gezien (terecht overigens). Duitse onderzoekers waarmee wij contact hebben, zijn van mening dat onderzoek naar de aard wel degelijk mogelijk is, zoals zij ook hebben aangetoond. Wij kunnen nergens een nadere specificatie vinden die duidelijk zou maken dat het het WODC zou gaan om het rituele aspect.
  • de auteur geeft als antwoord op de vraag van het KTGG wat haar drijfveren waren dit artikel op deze wijze te schrijven: ”Als het waar is is het verschrikkelijk, als het niet waar is is het verschrikkelijk. In beide gevallen gaat het gepaard met veel leed. Om meer feiten boven tafel te krijgen kan er in mijn ogen dan ook niet genoeg aandacht besteed worden aan het onderwerp. Daaraan heb ik te goeder trouw een bijdrage proberen te leveren met mijn artikel.”  Hieruit blijkt dat zij de mogelijkheid openhoudt dat ‘het’ – wij nemen aan dat ze bedoelt ritueel misbruik – bestaat. Dit terwijl ondertussen, zoals reeds eerder opgemerkt,  uit talloze wetenschappelijke artikelen én uit arrestaties door de politie van kinderpornonetwerken,  onomstotelijk vaststaat dat georganiseerd sadistisch misbruik bestaat. Dat binnen die vorm van misbruik soms ook sprake is van min of meer uitgebreide en soms ook ideologisch bepaalde rituelen, daarover is ook geen twijfel meer. Dit standpunt van de auteur roept opnieuw de vraag op wat de werkelijke motieven zijn dit artikel in deze vorm te schrijven.

Herry Vos, bestuurslid KTGG