Dissociatieve amnesie of hervonden herinnering?

In verband met een recente publicatie “De Wetenschap Achter Verdrongen en Valse Herinneringen” door Henry Otgaar et al. wilden wij u hieronder een oud artikel dat hierop een wetenschappelijk antwoord geeft niet onthouden.
Het artikel van Otgaar c.s. probeert namelijk opnieuw twijfel te zaaien waar wetenschappelijk gezien geen twijfel bestaat. Dit in een herhaling van zetten door de vorige generatie wetenschappers in de jaren ’90.

Het team doet dit door irrelevante laboratoriumonderzoeken inzake implantatie van onschuldige herinneringen gelijk te stellen met de neurologische dissociatieve amnesie bij mensen met PTSD en DIS (zie Van Der Kolk) en daarbij een individu aan te halen die al dan niet haar herinneringen verzonnen heeft. Een vals autobiografisch zelf kan ontstaan uit vele redenen, waaronder persoonlijkheidsstoornissen, maar daar wordt in het artikel niet verder niet over uitgeweid. Valse rapportages zijn zeer zeldzaam, 1-2%, en derhalve statistisch gezien niet relevant, zie voor meer informatie hier. Een persoonlijk relaas is bovendien geen wetenschappelijke onderbouwing, al zou de waarheid in dit enkele geval neurologisch te achterhalen zijn indien deze persoon zou instemmen met een hersenscan (zie A.A. Reinders et al).

Verloren grond: het debat over valse/verdrongen herinneringen

November 2, 1999
Alan W. Scheflin
Psychiatric Times, Psychiatric Times Vol 16 No 11, Volume 16, Issue 11

Het debat over hervonden herinneringen is de meest bittere, wrede en pijnlijke interne controverse in de geschiedenis van de moderne psychiatrie. Vanaf het allereerste begin in de late jaren ‘80, is het meer een “ad hominem” oorlog geweest, een beroep doend op gevoelens en vooroordelen, in plaats van een kwestie van gemotiveerde professionele onenigheid.

Daarmee heeft het de wijsheid aangetoond van Louis Nizers‘ overtuigende observatie dat “gegooide modder grond verloren is” (Nizer, 1966). In dit geval is, zoals we zullen zien, het verloren terrein aanzienlijk geweest, en de wetenschap, het recht en de psychiatrie hebben de grootste verliezen geleden.

Overeenstemming

Tot voor kort werd de controverse over valse herinneringen en hervonden herinneringen gedefinieerd door fanatici aan beide uiteinden van het spectrum. Omdat de oproerkraaiers de meeste aandacht krijgen, hebben de rechtbanken, wetgevers, het publiek en professionals meer tirades dan dialoog gehoord en daarrnaar gehandeld.

Om deze kakofonie tot zwijgen te brengen, moeten we één fundamentele opmerking maken: er is een cruciaal verschil tussen mening en geloof aan de ene kant en wetenschap aan de andere kant. Alleen door ze te scheiden, kunnen we hopen deze controverse te begrijpen en ervan te leren.

Honderden jaren lang geloofden mensen dat de aarde plat was en het middelpunt van het universum. Hun geloof maakte het niet wáár. Toen de wetenschap het tegendeel kon aantonen, veranderde de overtuiging van mensen. Soms geven mensen echter de voorkeur aan fictie boven feit. Folklore is vaak krachtiger dan feiten, zoals twintigste-eeuwse propagandisten keer op keer hebben bewezen. In discussies over valse en onderdrukte herinneringen hangt veel af van wat men gelooft, en wat de wetenschap laat zien.

Misschien kunnen we gemeenschappelijke grond vinden in het besef dat het debat het fundamenteel gaat over wetenschap, niet over geloof.
De belangrijke vragen zijn immers allemaal wetenschappelijke vragen: of onderdrukte of hervonden herinneringen bestaan, of ze accuraat zijn, of valse herinneringen kunnen worden geïmplanteerd en in hoeverre suggestie geheugen, gedachten en gedrag kan beïnvloeden.
Wat we ook willen geloven, als beschaafd volk moeten we ons laten leiden door wat de wetenschap ons vertelt dat de waarheid is.

Het is in deze geest dat mijn collega’s en ik het boek Memory, Trauma Treatment, and the Law (Daniel Brown, D. Corydon Hammond, Alan W. Scheflin, 1998) schreven.

Blijkbaar waren we succesvol, want het boek ontving in 1999 de Manfred S. Guttmacher Award van de American Psychiatric Association. Recensenten hebben het boek consequent geprezen om zijn “zeldzame eerlijkheid” (Behavioral Science Book Review, 1999). Andere critici beschreven de verdiensten ervan als volgt: “De auteurs zijn steeds voorzichtig in het onderscheid maken tussen gebieden van gevestigde wetenschappelijke consensus en gebieden van onzekerheid of speculatie” (Herman, 1999) “op een manier die strikt respectvol is ten aanzien van het bewijs” (Mollon). Hoewel sommige critici het oneens zullen zijn met onze interpretatie van een deel van de wetenschap, zijn wij algemeen geprezen voor onze poging om het debat van retoriek naar rede te veranderen.

Gemeenschappelijke grond moet ook gevonden worden in de gezond verstand constatering dat de term “hervonden geheugen” uitsluitend minachtend wordt gebruikt. In feite wordt per definitie elke herinnering hervonden. Bovendien zijn er geen instituties bekend voor hervonden herinneringen, geen conferenties over het beoefenen van hervonden geheugentherapie, en er zijn ook geen leerboeken over het onderwerp.

De term was een slimme retorische uitvinding en als zodanig heeft het zelfs veel, anders voorzichtige, wetenschappers voor de gek gehouden.

In dienst van de wetenschap horen we te onderzoeken waar het lawaai over gaat, zelfs als dat betekent dat we enkele van onze vurig gekoesterde overtuigingen moeten opofferen.

Wankele onderbouwing

De rechtbanken zijn getrakteerd op een parade van vermeende experts (die naamloos zullen blijven) die onder ede hebben geschreven of getuigd van een werkelijk verbazingwekkende reeks meningen, waaronder:

  • Er is maar één geheugensysteem, daarom worden traumatische herinneringen niet anders verwerkt door de hersenen dan gewone herinneringen.
  • Onderdrukte herinneringen bestaan niet.
  • Hervonden herinneringen zijn nooit accuraat.
  • Het implanteren van valse herinneringen aan gruwelijke gebeurtenissen die nooit hebben plaatsgevonden, is makkelijk en het wordt vaak gedaan door therapeuten.
  • Hypnose, geleide meditatie en visualisatie zijn overdreven suggestieve technieken die zonder uitzondering het geheugen besmetten.
  • Het herroepen van seksueel misbruik in de kindertijd bewijst dat het misbruik nooit heeft plaatsgevonden.
  • Hervonden herinneringen zijn altijd waar.
  • Als je denkt dat je misbruikt bent, dan is dat ook zo.

Geen van deze beweringen wordt ondersteund door de wetenschap (Brown et al., 1998; 1999).

Dit artikel beslaat alleen een korte bespreking van de twee meest centrale onderwerpen. Aan de basis van het debat ligt de vraag of onderdrukte herinnering een bestaand concept is. Zo ja, is het dan juist?

Wij weten, en de rechtbanken hebben gehoord wat verschillende mensen over deze kwesties denken, maar wat zegt de wetenschap?

Solide wetenschap

Bestaan verdrongen herinneringen?

Hoewel rechtbanken en wetgevers [TGG: en bepaalde niet nader genoemde hoogleraren] deze terminologie gebruiken: “onderdrukt geheugen” of “hervonden herinneringen”; de juiste term is “dissociatieve amnesie”. Dit is de definitie die voorkomt in de DSM-IV, sectie 300.12: “Dissociatieve amnesie wordt gekenmerkt door een onvermogen om belangrijke persoonlijke informatie te herinneren, meestal van traumatische of stressvolle aard, die te uitgebreid is om te worden verklaard door gewone vergeetachtigheid.”

Het opnemen van deze definitie in de DSM-IV geeft aan dat het concept van onderdrukt geheugen algemeen wordt aanvaard in de relevante wetenschappelijke gemeenschap. Dit voldoet voor de rechtbanken volgens de zaak Frye v Verenigde Staten, 293 F.1013 (1923) of Daubert v Merrell Dow Pharmaceutical, 113 S.Ct. 2786 (1993) waarin de toelaatbaarheid van wetenschappelijke getuigenissen als bewijsmateriaal in de rechtbank wordt bevestigd. Tegenstanders van onderdrukte herinneringen zijn wat de wet betreft, op zijn best, een respectabele minderheid onder de doctrine van twee stromingen (Jones v Chidester [1992]; Kowalski, 1998). De bewijslast ligt bij de minderheidsstroming om aan te tonen dat hun visie respectabel is, niet bij de meerderheidsstroming om te bewijzen dat zij juist zijn.

De DSM-IV definitie biedt een mechanisme om dissociatieve amnesie te onderscheiden van gewone vergeetachtigheid (Scheflin en Spiegel, 1998). Dit vindt als volgt zijn weerklank in de karakterisering van de kwestie van de onderdrukte herinnering door Pope en Hudson (1995a, 1995b): Er doet zich een wezenlijk traumatische gebeurtenis voor van het type dat normaal gesproken niet wordt vergeten. Vrijwillige toegang tot herinneringen aan de gebeurtenis is gedurende een aanzienlijke periode van jaren niet beschikbaar. Na verstrijken van de tijd komen er herinneringen terug waarvan kan worden aangetoond dat ze nauwkeurig zijn.

Indien functioneel gedefinieerd, verdwijnt het debat over de taalkundige betekenis van repressie. Volgens Pope en Hudson (1995a) “moet men, om de nulhypothese te verwerpen en ‘repressie’ aan te tonen, slechts een reeks individuen tonen die duidelijk en blijvend geheugenverlies vertonen voor bekende ervaringen die te traumatisch zijn om normaal gesproken te vergeten.” Zoals Pope en Hudson (1995b) aangeven, in de studies waarin bekend is dat het traumatische misbruik daadwerkelijk heeft plaatsgevonden, en waarin het trauma zo ernstig is dat “van niemand redelijkerwijs kan worden verwacht dat hij het vergeet, is het gepostuleerde mechanisme van het geheugenverlies – of het nu ‘repressie’, ‘dissociatie’ of ’traumatisch geheugenverlies’ wordt genoemd – onbelangrijk.” Net als bij de DSM-IV-definitie elimineert de formulering van Pope en Hudson semantische gekibbel en biedt het een mechanisme om onderscheid te maken tussen verdringing en vergeten, omdat het betrokken trauma van het type is dat niet wordt vergeten normaliter.

Dit punt werd volledig verkeerd begrepen door de rechtbank in Doe v Maskell, 342 Md. 684, 679 A.2d 1087 (1996) toen de rechtbank zei dat onderdrukking en vergeten identiek waren.

Brown en collega’s (1999) onderzochten de wereldliteratuur en vonden 68 onderzoeken waarin alle bewijzen voldeden aan de criteria van Pope en Hudson. Elk van de onderzoeken, die verschillende methodologische ontwerpen volgden, vond het bestaan ​​​​van onderdrukt geheugen. De eerste ronde van onderzoeken waren enquêtes waarbij klinische steekproeven werden gebruikt van mensen in therapie of therapeuten. Degenen die niet geloven in de geldigheid van onderdrukte herinneringen, bekritiseerden deze methode omdat het mensen betrof die in psychotherapie waren. Een tweede onderzoeksronde probeerde dit te corrigeren door gebruik te maken van steekproeven in de gemeenschap. Sommige van deze onderzoeken hadden betrekking op forensische zaken, zoals mensen die beweerden het slachtoffer te zijn van pater James Porter. Porter, een priester, bekende en werd in 1993 veroordeeld voor het seksueel misbruiken van tientallen jongens en meisjes. Deze methode werd bekritiseerd omdat er nog steeds sprake was van steekproefselectie en vooringenomenheid van onderzoekers.

Een derde ronde van experimenten reageerde op dit bezwaar door onderzoek te doen naar niet-klinische gerichte en/of willekeurige steekproeven – mensen die niet in therapie waren of gingen. Sommige van deze onderzoeken gebruikten universiteitsstudenten, terwijl andere willekeurige steekproeven gebruikten van mensen die reageerden op advertenties in kranten, telefoontjes of gemailde vragenlijsten. Opnieuw werd echter geklaagd dat deze retrospectieve studies het bestaan ​​van het vermeende seksueel misbruik in de kindertijd onvoldoende konden valideren.

Om dit bezwaar te corrigeren is een vierde onderzoeksronde uitgevoerd, dit keer met een prospectieve opzet. Onderzoekers begonnen met ziekenhuisgegevens van daadwerkelijk misbruik en lokaliseerden de slachtoffers decennia later. Er werd echter ook bezwaar gemaakt tegen deze methodologie omdat er geen opvolgend verhelderend interview werd toegevoegd, zoals beschreven door Femina et al. (1990).

Een vijfde onderzoeksronde maakte vervolgens gebruik van het prospectieve ontwerp en omvatte de verhelderende interviews. Dit werd gevolgd door een zesde ronde van onderzoeken, met prospectieve longitudinale ontwerpen die begonnen met gedocumenteerd trauma en met herhaalde follow-up-interviews op regelmatige basis.

Dit onderzoek kwam tot dezelfde conclusie als alle andere onderzoeken: een deel van de populatie seksueel misbruikte personen onderdrukt de herinnering aan het misbruik. Als laatste toevluchtsoord hebben critici geantwoord dat elk onderzoek met zelfrapportage onwetenschappelijk is omdat zelfrapportages onwaar of zelfbedrog zijn.

Degenen die niet geloven in de geldigheid van onderdrukte herinneringen, hebben betoogd dat de meeste mensen trauma niet vergeten. Hun punt is juist, maar het weerlegt nauwelijks het argument dat een bepaald percentage van de mensen zich een ernstig trauma niet bewust herinnert. Sommige van deze critici zijn voor de rechtbank verschenen met citaten voor bijna vijf dozijn artikelen over herinnerde traumatisering. Maar nogmaals, het feit dat de meeste mensen zich een trauma herinneren, is niet relevant voor het punt dat sommigen dat niet doen. Van nog groter belang, Brown et al. (1999) hebben aangetoond dat geen van deze studies binnen de richtlijnen van Pope-Hudson valt. Twee derde van deze studies is niet relevant omdat ze het probleem van geheugenverlies niet op de een of andere manier noemen en één derde van deze studies toont inderdaad dissociatieve amnesie aan.

Hoewel mensen misschien blijven geloven dat onderdrukte herinneringen niet bestaan, is er geen wetenschappelijke ondersteuning voor die stelling. Getuigenissen van deskundigen dat verdrongen herinneringen niet bestaan, zouden daarom onderworpen moeten worden aan ethische sancties.

Zijn verdrongen herinneringen juist?

Zowel degenen die beweren dat hervonden herinneringen altijd onwaar zijn als degenen die beweren dat hervonden herinneringen altijd waar zijn (omdat ze, net als de vlieg gevangen in barnsteen, gestold zijn en ongevoelig zijn voor latere besmetting door invloed of suggestie) lijken het bij het verkeerde eind te hebben. Hoewel de wetenschap op dit punt beperkt is, concluderen de enige drie relevante studies dat hervonden herinneringen niet meer en niet minder nauwkeurig zijn dan continue herinneringen (Dalenberg, 1996; Widom en Morris, 1997; Williams, 1995). Daarom moeten rechtbanken en therapeuten hervonden herinneringen niet anders beschouwen dan gewone herinneringen.

De wetenschap leidt ons duidelijk weg van de afleidende kwestie van het bestaan ​​van hervonden herinneringen, en naar de psychologisch en juridisch belangrijke kwestie van de geldigheid van bepaalde herinneringen. De therapieruimte en de rechtszaal hebben beide baat bij het onderscheiden van echte en valse herinneringen (Scheflin, 1998). De wetenschap van het geheugen toont aan dat 1) het geheugen opmerkelijk nauwkeurig is voor de kern van gebeurtenissen, en minder nauwkeurig voor de perifere details; 2) alle herinneringen, verdrongen of voortdurend herinnerd, kunnen worden beïnvloed door latere gebeurtenissen of door de methode van ophalen; en 3) alle herinneringen, impliciet of expliciet, kunnen van invloed zijn op gedrag (Schacter, 1999). Met een hernieuwde concentratie op hoe herinneringen worden opgehaald of beïnvloed, kunnen therapeuten en advocaten mogelijk weer als partners werken, niet als tegenstanders.

Verloren terrein

Eerder werd opgemerkt dat wetenschap, recht en psychiatrie terrein hebben verloren als gevolg van dit verdrongen herinneringen debat. De harmonie tussen wet en wetenschap heeft een tweetrapsaanval ondergaan met betrekking tot het geheugen. In de jaren tachtig kregen rechtbanken van veel experts te horen dat hypnose en aanverwante technieken onvermijdelijk het geheugen besmetten. In de jaren negentig kregen rechtbanken te horen dat onderdrukte herinneringen niet bestaan ​​en dat de herinnering gemakkelijk besmet kan worden door zelfs maar een zweem van suggestie.
In beide decennia kregen rechtbanken te horen dat het geheugen fundamenteel onbetrouwbaar is. Deze opvattingen zijn verkeerd, en het gerechtelijk vertrouwen in de ondersteuning door de wetenschap heeft onrecht gebracht voor talloze rechtzoekenden. Toen de rechtbanken naar experts keken voor advies, slaagden de experts er niet in om de stand van de wetenschap nauwkeurig weet te geven. Sommige deskundigen hebben weerstand tegen het actualiseren van hun mening, zelfs in het licht van nieuwe studies.

Vooral de psychiatrie heeft terrein verloren. Vanuit het perspectief van het publiek heeft het debat over hervonden herinneringen het veld er dwaas uit laten zien, ongeacht welke kant van de kwestie zij steunen. Men hoeft alleen maar de mening van de meerderheid te lezen in de eerste beslissing in hoger beroep die betrekking heeft op onderdrukte herinneringen, Tyson v Tyson, 107 Wash.2d 72, 727 P.2d 226 [1986]) om te zien hoe rechters een zeer negatieve houding hebben ontwikkeld ten aanzien van de geestelijke gezondheidszorg. Omdat beroepsorganisaties in de geestelijke gezondheidszorg er niet in zijn geslaagd het publiek of hun eigen leden te begeleiden of duidelijkheid te verschaffen en er niet in zijn geslaagd hun leden te beschermen wanneer ze door de rechtbank worden aangevallen, hebben ze verder bijgedragen aan de perceptie van de geestelijke gezondheidszorg als een daadwerkelijk ” zachte” wetenschap.

Het hervonden herinneringen debat omvat een interne ideologische strijd. Sommige van de biologische psychiaters genieten, of dragen bij aan, de slechte behandeling die psychodynamische psychiaters momenteel in de rechtszaal ondergaan. Het is echter niet verstandig Lincolns scherpe opmerking te negeren: “Een huis dat in zichzelf verdeeld is, kan niet standhouden.” De juridische precedenten die zijn gevestigd om psychodynamische psychiaters te vervolgen, vormen nu een groeiende infrastructuur voor de onvermijdelijke daaropvolgende juridische aanval op de biologisch ingestelden. Inderdaad, de theorieën voor dergelijke rechtszaken zijn al in opbouw en zullen binnenkort in de praktijk worden getest in rechtbanken. In de bitterheid en rechtszaken rond het debat over wie gelijk heeft en wie ongelijk heeft de psychiatrie zelf een dissociatieve identiteitsstoornis ontwikkeld. Het wordt tijd dat het beroep zichzelf geneest.

Referenties

Behavioral Science Book Service 50(1):1-4 (January 1999).

Brown D, Scheflin AW, Hammond DC (1998), Memory, Trauma Treatment, and the Law. New York: W.W. Norton & Company.

Brown D, Scheflin AW, Whitfield CL (1999), Recovered memories: the current weight of the evidence in science and in the courts. Journal of Psychiatry & Law 27:5-156.

Dalenberg CJ (1996), Accuracy, timing and circumstances of disclosure in therapy of recovered and continuous memories of abuse. Journal of Psychiatry & Law 24: 229-275.

Della Femina D, Yeager CA, Lewis DO (1990), Child abuse: Adolescent records vs. adult recall. Child Abuse Negl 14(2):227-231.

Herman JL (1999), Trauma and memory [Book review]. Am J Psychiatry 156(7):1111-1112.

Jones v Chidester (1992), 531 Pa. 31, 610 A.2d 964.

Kowalski M (1998), 1997 Le Tourreau Award. Applying the ’two schools of thought’ doctrine to the repressed memory controversy. J Leg Med 19(4):503-547.

Mollon P (in press), Clinical psychology forum.

Nizer L (1966), The Jury Returns. Garden City, N.Y.: Doubleday.

Pezdek K (1999), A heavy-duty book about memory. Contemporary Psychology 44(1):91-92.

Pope Jr. HG, Hudson JI (1995a), Can individuals “repress” memories of childhood sexual abuse? An examination of the evidence. Psychiatric Annals 25(12):715-719.

Pope Jr. HG, Hudson JI (1995b), Can memories of childhood sexual abuse be repressed? Psychol Med 25(1):121-126.

Schacter D (1999), The seven sins of memory. Insights from psychology and cognitive neuroscience. Am Psychol 54(3):182-203.

Scheflin AW (1998), Narrative truth, historical truth and forensic truth. In: The Mental Health Practitioner and the Law: A Comprehensive Handbook, Lifson L and Simon RI, eds. Cambridge, Mass.: Harvard University Press, pp 299-328.

Scheflin AW, Spiegel D (1998), From courtroom to couch: working with false/repressed memory and avoiding lawsuits. Psychiatr Clin North Am 21(4):847-867, vii.

Widom CS, Morris S (1997), Accuracy of adult recollections of childhood victimization: II. Childhood sexual abuse. Psychological Assessment 9:34-46.

Williams LM (1995), Recovered memories of abuse in women with documented child sexual victimization histories. J Trauma Stress 8(4):649-673.